Amateur

amateur

Vnnl. amatuer “een beminder” Mussem], amateur 'liefhebber' Hofman]; nnl. amateur 'kunstvriend' Weiland], 'niet-beroeps vakman'.
Uitspraak: [amaˈtør] Verbuigingen: amateur |s (meerv.) 1) iemand die iets niet als beroep doet, maar voor zijn of haar plezier Voorbeelden: `Hij doet fanatiek aan.
1 a person who takes part in a sport etc without being paid for it: “The tennis tournament was open only to amateurs.” amateur 2 someone who does something.
amateur